Boulez Festival - Le Marteau sans maitre & Sur Incises

Agenda Projectenlijst Project list Projectenarchief Project archive

Le marteau sans maître (1952-1955, rev. 1957)

Le marteau sans maître is misschien wel Boulez’ beroemdste werk. Het werd gecomponeerd tussen 1952 en 1955 en verscheen in een herziene vorm in 1957. De cyclus wordt vaak vergeleken met Schönbergs Pierrot lunaire, een werk waar Boulez veel bewondering voor heeft.

Bij de première viel Le marteau direct op door de eigenaardige en voor de tijd volstrekt unieke instrumentatie. Deze verraadt niet-westerse invloeden. “Ik ben al heel lang gefascineerd door buiten-Europese muziek” zegt Boulez, “vooral uit Afrika, Japan, China [en] Java.” Met name in het slagwerk, waar gebruik wordt gemaakt van vibrafoon en xylorimba, is dit duidelijk te horen. Aangevuld met een gitaar, altviool, altfluit en contralto is dit een ensemble dat geen echte bastonen kent. De altviool speelt vaker pizzicato dan arco, waardoor het een brug vormt tussen de stem en de fluit enerzijds (aangehouden tonen) en de gitaar en het slagwerk anderzijds (uitstervende tonen). De stem wordt op onconventionele manieren gebruikt, zoals Sprechgesang, een stijl van voordracht die het midden houdt tussen praten en zingen, waaruit de invloed van Schönberg blijkt. Ook opvallend aan het instrumentarium is dat slechts in twee delen, de zesde en de negende, alle musici worden ingezet. De andere delen bevatten steeds verschillende samenstellingen van instrumenten met iedere keer een ander klankresultaat.

 

Voor de tekst zijn drie korte gedichten gekozen van de Franse surreële dichter Rene Char (1907-1988), een schrijver wiens poëzie Boulez al eerder, in Soleil des eaux en Le visage nuptial, had getoonzet. De drie gedichten die voor Le marteau sans maître worden gebruikt komen uit Chars gelijknamige dichtbundel, een jeugdwerk uit 1934. Boulez’ tekstkeuze is deels gebaseerd op de “sonoriteit van de woorden” – hij verkoos de klank van de gedichten boven betekenis. De gedichten hebben “van huis uit niets met elkaar te maken”. Hun juxtapositie in de cyclus brengt een uitwisseling van betekenissen teweeg. De teksten gaan als volgt:

 

L'artisanat furieux

La roulette rouge au bord du clou

et cadavre dans le panier

et chevaux de labours dans le fer à cheval

je rêve la tête sur la pointe de mon couteau le Pèrou.

 

Bourreaux de solitude

Le pas s'est éloigné le marcheur s'est tu

Sur le cadran de l'Imitation

Le Balancier lance sa charge de granit réflexe.

 

Bel édifice et les pressentiments

J'écoute marcher dans mes jambes

La mer morte vagues par dessus tête

Enfant la jetée promenade sauvage

Homme l'illusion imitée

Des yeux purs dans les bois

Cherchent en pleurant la tête habitable.

 

De delen van Le marteau sans maître zijn:

1.Avant "l'artisanat furieux"

2.Commentaire I de "bourreaux de solitude"

3."L'artisanat furieux"

4.Commentaire II de "bourreaux de solitude"

5."Bel édifice et les pressentiments", version première

6. "Bourreaux de solitude"

7. Après "l'artisanat furieux"

8.Commentaire III de "bourreaux de solitude"

9. "Bel édifice et les pressentiments", double

 

Er is hier sprake van drie verweven cycli. Drie delen draaien om het gedicht L’Artisanat furieux (1, 3 en 7), vier om Bourreux de solitude (2, 4, 6 en 8 – waarbij de ‘commentaren’ 1 en 2 aan het vocale voorafgaan) en twee om Bel édifice et les pressentiments (5 en 9). De bij elkaar horende delen volgen elkaar niet direct op, maar worden afgewisseld met delen die horen bij de andere gedichten. Hierdoor ontstaat wisselwerking binnen de muziek en gaan de drie cycli samen in één cyclus op. Van de negen delen zijn er maar vier vocaal. Dit zijn delen 3, 5, 6 en 9. In het negende deel verliest de zangstem gaandeweg de positie als solist, eerst door tekstloos te zingen, vervolgens door van de voorgrond te worden verdrongen door de fluit. “[In] wezen,” zegt Boulez, “draait de omgang met het vocale element in Le marteau sans maître om drie zaken: (1) de stem als lijn boven het geheel, (2) de stem geïntegreerd in de polyfonie en (3) de stem geabstraheerd tot een instrument, teruggebracht tot de anonimiteit.”

 

Toen Boulez Le marteau sans maître componeerde, midden jaren ’50, lag de tijd van het totaal serialisme – o.a. Messiaens Mode de valeurs en d’intensites, Stockhausens Klavierstucke I en II en Boulez’ Structures – nog vers in het geheugen. Ook in Le marteau gebruikt Boulez een 12-toonsreeks, maar vervormt deze om nieuwe combinaties te creëren.

 

Sur incises (1996-1998)

Op verzoek van Luciano Berio en Maurizio Pollini componeerde Boulez in 1994 een kort pianowerk, ongeveer vier minuten, getiteld Incises voor het Umberto Micheli internationaal pianoconcours. Typisch voor Boulez, ontleende hij aan Incises materiaal dat als een soort zaadje zou fungeren voor een langer werk met een grotere bezetting. Dit werd Sur Incises, een compositie voor negen instrumentalisten, waarvan de eerste versie in première werd gebracht in Basel, 1996, en de definitieve versie in 1998 in Edinburgh.

 

Aanvankelijk dacht Boulez aan een pianoconcert voor solist en ensemble. Echter, zijn idee was dat het ensemble een soort echo van de piano zou kunnen vormen, en hij realiseerde zich dat het qua tempo niet haalbaar was (een klarinet zou bijvoorbeeld niet zo’n snelle arpeggio kunnen spelen als een piano). Bovendien wilde hij bij voorkeur dat de echo hetzelfde timbre zou kunnen aannemen. Hij besloot daarom niet één, maar drie piano’s in te zetten, waarmee hij zijn uiteindelijke wens van een zesvoudig contrapunt (drie keer twee handen) kon vervullen. De piano’s worden aangevuld door drie harpen, waarvan het gebruik een interesse buiten de klassieke muziek verraadt; Boulez had weinig op met het delicate gebruik van de harp in Franse klassieke muziek, maar hij had in de Andes ruwe boerenmuziek op harp gehoord die een grote indruk had gemaakt. Uit de muziek van de Antillen ontleende Boulez de steeldrum, dat in Sur incises samen met buisklokken, glockenspiel, pauken, 2 vibrafoons, marimba en crotales tot het instrumentarium van de drie slagwerkers behoort. Opvallend aan deze bezetting is dat er geen instrumenten tussen zitten waarvan de klank kan aanzwellen; alle tonen in de compositie hebben een attack en sterven daarna, de een sneller dan de ander, weer uit. Boulez was geïnteresseerd in gamelan muziek, een ensemblevorm uit Indonesië bestaande uit een assortiment van metalen slagwerkinstrumenten die allemaal een resonerende klank hebben. Wellicht is deze interesse wel de bron van zijn opvallende instrumentarium.

 

Het werk is tweedelig. Het eerste deel, dat een minuut of tien duurt, komt grotendeels overeen met de versie van het werk uit 1996, terwijl het 25 minuten durende tweede deel er daarna bij is gecomponeerd. Sur incises is opgedragen aan Paul Sacher voor diens 90ste verjaardag en ook in deze compositie, evenals in Répons en Dérive 2, wordt het hexachord Es-A-C-H-E-Re(D) gebruikt.

Agenda:

10-12-2015 12/10/2015 - 20:00 - TivoliVredenburg TivoliVredenburg Order tickets Kaarten bestellen
Agenda Projectenlijst Project list Projectenarchief Project archive